Gewone vlier
- Biota - Plantae - Viridiplantae - Streptophyta - Tracheophyta - Spermatophytina - Magnoliopsida - Asteranae - Dipsacales - Adoxaceae - Sambucus
| Blad | : | ja 1 |
| Standafwisselend, verspreid, tweerijing, kruisgewijs, krans, rozet, langs de stengel | : | tegen over elkaar staand 1 |
| Bloem | : | ja 1 |
| TypeEenslachtig, Eenhuizig of tweeslachtig, Tweehuizig | : | Tweeslachtig 1 |
| Vruchtlichaam | : | ja 1 |
| Typebes, bottel, steenvrucht, pitvrucht, komkommervrucht, oranjevrucht, samengesteld, kluisvrucht, vijfkluizig, peul, kokkervrucht, hauw (meer dan 3x zo lang als breed), hauwtje (minder dan 3x zo lang als breed), kleppen-doosvrucht, tanden-doosvrucht, spleten-doosvrucht, poriën-doosvrucht, deksel-doosvrucht, noot, nootje, gevleugelde noot, gevleugelde dubbele dopvrucht, tweedelige splitvrucht, gevleugelde tweedelige splitvrucht, driedelige splitvrucht, vierdelige splitvrucht, vijfdelige splitvrucht, veeldelige splitvrucht, graanvruchten, overige doosvruchten, sporen | : | Steenvrucht 1 |
| Habitat | : | voedselrijke bodem. Binnen de bossen geldt gewone vlier als kensoort voor de klasse van eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond (Querco-Fagetea). |
| SymbioseLeeft het organisme met een andere soort samen al dan niet in het voor- of nadeel van 1 van de 2 | : | ja |
| ParasitismeSamenlevingsvorm waarbij 1 van de organismen een voordeel heeft van het samen zijn, de andere lijdt onder het samen zijn | : | echt judasoor (zwam) |
| Waardplant | : | schemerbladroller, gewone coronamot, grijze kruidenmot |
| Bronnen | : |